De Tweede Kamer en de coalitiepartijen willen een soepelere overgang bij het opheffen van het handhavingsmoratorium. Vanaf 1 januari start de Belastingdienst met controles op schijnzelfstandigen in de zorg, omdat het moratorium op de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) wordt opgeheven. De Kamer pleit voor een ‘zachte landing’ om onrust weg te nemen bij werkgevers en zzp’ers.

Moties

Minister Van Hijum kondigde op 6 september in een Kamerbrief aan dat 2025 een overgangsjaar wordt waarin geen vergrijpboetes worden uitgedeeld aan bedrijven die aantoonbaar stappen ondernemen tegen schijnzelfstandigheid. Toch vond de Kamer dit onvoldoende en nam afgelopen dinsdag vier belangrijke moties aan over de onderstaande punten:

  1. Risicogericht handhaven: de focus moet voor in ieder geval één jaar liggen op het opleggen van naheffingen en probleemgevallen, zoals gedwongen zelfstandigheid of evidente schijnzelfstandigen. Voor andere gevallen moet maatwerk worden toegepast.  
  2. Afwegingskader: de Tweede Kamer wil dat de regering voor 1 november 2024 een duidelijk afwegingskader voor handhaving publiceert op de website van de Belastingdienst, met duidelijke kenmerken waarmee opdrachtgevers en zzp’ers kunnen nagaan of er sprake is van zelfstandig ondernemerschap.
  3. Menselijke maat: een derde aangenomen motie stelt dat de Belastingdienst de ruimte moet krijgen om coulant om te gaan met zelfstandigen die onbewust niet aan de regels voldoen, zonder direct boetes op te leggen.
  4. Modelovereenkomsten: de Tweede Kamer wil dat reeds goedgekeurde modelovereenkomsten van kracht blijven na 1 januari 2025. Op 6 september 2024 stopte de Belastingdienst namelijk per direct met het goedkeuren van de overeenkomsten.

Ook coalitiepartijen willen afzwakking

De motie voor een zachtere landing was een initiatief van VVD-Kamerlid Thierry Aartsen, en werd mede ondertekend door de BBB en NSC. PVV steunde het beleid van minister Van Hijum over de handhaving van de wet DBA, maar steunde ook de moties om de handhaving af te zwakken.

VBAR voorlopig niet opgesplitst

De motie om het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR) op te splitsen, is aangehouden door minister Van Hijum. Het doel van deze motie is om een deel van het wetsvoorstel, het rechtsvermoeden dat iemand bij een laag uurtarief (minder dan € 32,24) werkt op basis van een arbeidsovereenkomst en niet als zelfstandige, snel te kunnen behandelen. Van Hijum gaf aan vóór een eventuele splitsing eerst het oordeel van de Raad van State over de VBAR af te willen wachten.

Uitspraak in het licht van de discussie

Recent werd een uitspraak gepubliceerd waarbij de vraag centraal stond of een voormalige zzp’er recht had op een vast contract bij het Ministerie, na eerst als uitzendkracht en daarna als zelfstandige te hebben gewerkt. De medewerker beriep zich op de cao Rijk en de ketenregeling, die bepaalt dat een werknemer na een aantal tijdelijke contracten in aanmerking komt voor een vast contract. Ze vond dat ook de tijd die ze als zzp’er werkte mee moest tellen.

De rechter oordeelde dat dit niet het geval was. Het werk dat de medewerker deed als zzp’er was anders dan haar nieuwe functie. Daarom telde de zzp-periode niet mee voor de ketenregeling.

Vanaf 2025 wordt de wetgeving rond schijnzelfstandigheid strenger. Wanneer een zzp’er onder gezag werkt en economisch afhankelijk is van de opdrachtgever, zal dit eerder gezien worden als een dienstverband. Dit kan betekenen dat sommige zzp’ers in de toekomst niet langer als zelfstandigen worden aangemerkt en recht krijgen op een arbeidsovereenkomst. De uitspraak benadrukt het belang voor zzp’ers om duidelijkheid te hebben over hun arbeidsrelatie, zeker met de aankomende wetswijzigingen.

BOUF Legal houdt u op de hoogte van de ontwikkelingen.