De Raad van State (RvS) heeft vorige week een advies uitgebracht over het wetsvoorstel Vbar (Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden), dat bedoeld is om het onderscheid tussen zelfstandigen en werknemers te verduidelijken. In haar advies uit de RvS kritiek op het voorstel en vraagt zij de regering meer uitleg en aanpassingen.
Voorstel schiet tekort
Volgens de RvS heeft het wetsvoorstel wel betekenis voor een deel van kwetsbare schijnzelfstandigen, maar biedt het geen oplossing voor de groeiende groep ‘echte’ zelfstandigen en flexwerkers die zich (noodgedwongen) in een zwakke positie bevinden. De RvS waarschuwt ook dat werkgevers mogelijk andere wegen zullen kiezen om kosten te besparen, zoals detachering, en dat het wetsvoorstel hiermee geen rekening houdt. Verder biedt het voorstel geen structurele verandering die nodig is om de brede groei van het aantal zelfstandigen te stoppen.
Beperkte toegevoegde waarde ten opzichte van Wet Dba
Daarnaast heeft de verduidelijking in de Vbar van de term ‘in dienst van’ volgens de RvS een beperkt effect. De Vbar introduceert namelijk geen nieuwe criteria, maar sluit volledig aan bij bestaande jurisprudentie. Hoewel het nuttig is verduidelijking te geven op bestaande criteria, vindt de RvS dit weinig toegevoegde waarde hebben ten opzichte van de bestaande wet Dba (Deregulering beoordeling arbeidsrelaties).
De RvS betwijfelt of de beoordeling van een arbeidsverhouding hierdoor wel eenvoudiger wordt. De Vbar verduidelijkt de term ‘in dienst van’ aan de hand van twee elementen. Dit zijn de inbeddingscriteria. Het eerste hoofdelement is ‘werkinhoudelijke en organisatorische sturing’ en ziet op kenmerken die wijzen op werken in dienst van een ander. Het tweede hoofdelement, ‘werken voor eigen rekening en risico’, ziet op kenmerken die erop wijzen dat juist niet in ondergeschiktheid wordt gewerkt, maar als zelfstandige. Dit zijn twee zeer uiteenlopende criteria die tegen elkaar afgewogen moeten worden.
Rechtsvermoeden
Het wetsvoorstel bepaalt verder dat werkenden met een uurtarief van €33 euro of lager vermoed worden in een arbeidsovereenkomst te werken, tenzij de werkgever het tegendeel kan bewijzen. Dit moet de onderhandelingspositie van kwetsbare werkenden versterken en schijnzelfstandigheid tegengaan. De effectiviteit wordt volgens de RvS echter beperkt, omdat voor werkenden de stap naar een gerechtelijke procedure groot is en de nadelen van schijnzelfstandigheid meestal pas later zichtbaar worden. Ook kunnen uitvoeringsorganisaties zoals de Belastingdienst niet toetsen aan het rechtsvermoeden, tenzij er een rechterlijke uitspraak ligt.
Achtergrond
In het hoofdlijnenakkoord van het kabinet staat dat het plan tegen schijnzelfstandigheid wordt doorgezet. Vanaf 1 januari start de Belastingdienst weer met controles op schijnzelfstandigen in de zorg, omdat het moratorium op de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) wordt opgeheven. Wel zal 2025 een overgangsjaar zijn waarin minder streng wordt gehandhaafd. De aanpak van schijnzelfstandigheid veroorzaakt spanning in de zorgsector. Enerzijds is er de noodzaak om kwetsbare zelfstandigen te beschermen en belastingontwijking te voorkomen, anderzijds is er behoefte aan autonomie en flexibiliteit, die lastig te realiseren zijn binnen een arbeidsovereenkomst.
Mogelijke opsplitsing wetsvoorstel
Eerder dienden een aantal Kamerleden een motie in om de wet Vbar op te splitsen in ‘inbeddingscriteria’ en ‘rechtsvermoeden’. Minister van Hijum heeft destijds de motie aangehouden om het advies van de RvS af te wachten. Het is nu dus de vraag of het advies de regering aanleiding geeft voor aanpassingen die tot een opsplitsing van het wetsvoorstel zullen leiden. BOUF Legal houdt u op de hoogte van de ontwikkelingen.