Staatssecretaris Idsinga van Financiën en minister Van Hijum van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben vrijdagavond de Tweede Kamer geïnformeerd over het besluit van het kabinet om het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 op te heffen.
Handhaving
Het handhavingsmoratorium werd aanvankelijk ingesteld omdat de Wet DBA (Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie) in de praktijk niet goed functioneerde. De wet was bedoeld om schijnzelfstandigheid tegen te gaan, maar er ontstond onduidelijkheid over de vraag of er sprake was van een dienstbetrekking of zelfstandigheid. Met het opheffen van het moratorium zal vanaf 1 januari weer gehandhaafd worden op de Wet DBA.
Om bedrijven en organisaties de kans te geven zich aan te passen aan de nieuwe situatie, zal er een overgangsperiode van één jaar gelden. Tijdens deze periode zullen er geen vergrijpboetes worden opgelegd, mits de werkgever kan aantonen dat hij stappen zet tegen schijnzelfstandigheid. De Belastingdienst kan tot maximaal vijf jaar terug naheffingen opleggen. De focus binnen de handhaving zal primair gericht zijn op de opdrachtgevers.
Modelovereenkomsten
Het kabinet maakt ook bekend dat er geen enkele modelovereenkomst meer wordt goedgekeurd door de Belastingdienst, omdat zij geen zekerheid kunnen geven over het werken buiten dienstverband. De lopende modelovereenkomsten blijven wel van kracht tot de einddatum van de overeenkomst.
Drie lijnen
Het kabinet wil de handhaving op schijnzelfstandigheid weer zo veel als mogelijk normaliseren. Dit vloeit voort uit het doel om de balans op de arbeidsmarkt te herstellen en het werken met en als zelfstandige(n) toekomstbestendiger te maken. Het kabinet zet daarom de komende jaren in op drie lijnen:
- Het realiseren van een gelijker speelveld tussen contractvormen.
- Een betere werking van de arbeidsmarkt, waaronder meer duidelijkheid over de vraag wanneer gewerkt wordt als werknemer dan wel zelfstandige. Daartoe hoort ook het voortzetten van de Wet Vbar, dat het beoordelen van arbeidsrelaties verduidelijkt.
- Verbetering van de handhaving op schijnzelfstandigheid. Daartoe behoort het opheffen van het handhavingsmoratorium.
Hoe verder?
Hoewel het van belang is dat schijnzelfstandigheid teruggedrongen wordt, brengt het opheffen van het handhavingsmoratorium een grote onzekerheid met zich mee voor zorgorganisaties en zorgverleners. Met name als het gaat om de continuïteit van de zorg in tijden van druktepieken of bij een tekort aan zorgverleners. Doordat het kabinet ervoor kiest om in 2025 onder voorwaarden geen boetes op te leggen, lijkt zij een weg te kiezen waarbij opdrachtgevers en zzp’ers meer rust krijgen. In het commissiedebat zzp, aanstaande donderdag, wordt over het opheffen van het handhavingsmoratorium en de Kamerbrief verder gedebatteerd.
Bekijk hier de brief: Zelfstandig ondernemerschap | Tweede Kamer der Staten-Generaal