Een dag na het vertrek van Kuipers heeft de rechtbank het besluit van de minister om de interventiecentra voor complexe hartoperaties bij kinderen te concentreren op twee plekken onderuit gehaald. Wat waren de juridische beroepsgronden van de umc’s en wat betekent deze uitspraak voor mogelijk andere plannen van (oud) minister Kuipers?

Hoe zat het ook alweer?

Sinds de jaren ’90 wordt gediscussieerd over de concentratie van interventies bij aangeboren hartafwijkingen (AHA-interventies). De Gezondheidsraad en de commissie Lie adviseerden in 2007 en 2009 om de zorg te bundelen in gespecialiseerde centra. Tien jaar na deze adviezen constateerde de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) dat er nog geen concentratie had plaatsgevonden.

Naar aanleiding hiervan werd de AHA-werkgroep (commissie Bartelds) in het leven geroepen. Deze commissie adviseerde de zorg voor AHA-patiënten te concentreren in twee gespecialiseerde interventiecentra, waarbij het Erasmus MC en het UMCG als de meest geschikte locaties werden aangemerkt. In 2021 maakte de minister de beslissing om de zorg te concentreren bij het Erasmus MC en het UMCG definitief.

Dit resulteerde in bezwaren van de latende umc’s CAHAL en UMCU. Daarom werd de NFU gevraagd een integraal perspectief op de toekomst te maken van het academisch zorglandschap. De NFU bereikte echter geen gezamenlijk standpunt, wat in 2023 leidde tot de uiteindelijke beslissing van de minister om de AHA-interventies te concentreren bij het Erasmus MC en het UMCG.

Beroep tegen Planningsbesluit

Om de concentratie van twee interventiecentra te bereiken, heeft Kuipers in april 2023 het Planningsbesluit gewijzigd. De concentratie van deze centra op 2 locaties was volgens de minister een cruciale stap om de kwaliteit van deze zorg te verbeteren en het risico op vermijdbare sterfgevallen te verminderen. De centra die moesten sluiten, het UMCU en CAHAL, kregen een transitieperiode van 2,5 jaar om de zorg te blijven verlenen. Deze umc’s zijn in beroep gegaan bij de rechtbank tegen het Planningsbesluit. In juli 2023 wees de voorzieningenrechter hun beroep nog af, maar in de bodemprocedure, waar de zaak inhoudelijk is behandeld, heeft de rechter anders beslist.

Meeste beroepsgronden van umc’s afgewezen

Volgens de umc’s was de behoefteraming in het Planningsbesluit, dat er nog maar behoefte is aan twee interventiecentra voor de AHA-interventies, geen behoefteraming zoals bedoeld wordt in artikel 5 Wet op bijzondere medische verrichtingen (Wbmv). De umc’s stelden dat de minister eerst de behoefte aan bijzondere verrichtingen concreet had moeten bepalen en daarna had moeten aangeven op welke wijze in die behoefte kan worden voorzien. De rechter wees dit beroep af, omdat de rechtbank het oneens is met de interpretatie van de umc’s over artikel 5 Wbmv. De rechtbank vond dat een behoefteraming niet alleen het aantal verrichtingen hoeft te omvatten, maar ook kan bestaan uit de bepaling van de hoeveelheid interventiecentra die de minister nodig acht.

Verder vonden de umc’s dat de minister in strijd met de Wbmv heeft gehandeld, omdat de minister in het Planningsbesluit een beperking heeft opgenomen voor AHA-interventies, zonder een aanvraagprocedure. De umc’s stellen dat de minister niet alleen een nieuw plan had mogen maken met beperkingen en regels, maar dat hij in plaats daarvan de AHA-zorg als aparte vergunningplichtige zorg had moeten aanwijzen. Vervolgens had hij een procedure moeten opzetten waarin alle umc’s die geïnteresseerd waren, konden meedingen naar de nieuwe vergunningen voor AHA-interventies.

De rechtbank ging hier niet in mee en stelt dat er feitelijk geen nieuwe vergunningen zijn verleend, maar eerder aanpassingen zijn gedaan aan de bestaande vergunningen. De minister heeft op grond van artikel 6 Wbmv de bevoegdheid om vergunningen aan te passen en intrekken. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat er tussen de umc’s geen sprake is van gereguleerde concurrentie, en de regels over eerlijke concurrentie niet van toepassing zijn op deze specifieke publieke taak van umc’s.

Onvoldoende onderbouwing

Hoewel bijna alle beroepsgronden van de umc’s zijn afgewezen door de rechtbank, vindt de rechtbank de onderbouwing van de minister niet deugdelijk. Het besluit van de minister om AHA-interventies bij pasgeborenen te concentreren tot twee centra, is gebaseerd op een aanbeveling van de commissie Bartelds. Deze commissie heeft een volumenorm van 60 AHA-interventies per jaar op pasgeborenen gesteld.  

De rechtbank oordeelt dat er twijfels zijn over deze gehanteerde volumenorm van 60 interventies per jaar. De commissie Bartelds baseerde deze norm op een wetenschappelijk onderzoek. De auteurs van dit onderzoek hebben echter aangegeven dat hun onderzoek niet de basis vormt voor deze norm. Er zijn ook andere recentelijke wetenschappelijke onderzoeken die wijzen op veel hogere volumenormen. Daarnaast schat de NZa een gemiddelde van 180 AHA-interventies per jaar.  

De rechtbank heeft geconcludeerd dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de geschiktheid van de volumenorm in zijn onderbouwing. Daarnaast ziet de rechtbank dat de concentratiebesluiten vergaande negatieve gevolgen hebben voor de kwaliteit van zorg in de huidige centra. Hoewel de NZa heeft geadviseerd om eerst een integraal perspectief op het toekomstige academische zorglandschap te ontwikkelen, heeft de minister dit niet opgevolgd. Daarom oordeelde de rechtbank dat het besluit van de minister onvoldoende onderbouwd, onevenwichtig en onevenredig is. Hiermee was het beroep van de umc’s op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur wel geslaagd.

Reactie Conny Helder

Demissionair minister Helder, de opvolgster van Kuipers, heeft laten weten de uitspraak van de rechtbank te betreuren en vindt dat de concentratie van de kinderhartcentra nog steeds noodzakelijk is. Ze gaat de uitspraak van de rechter met het ministerie van VWS bestuderen. Verder zal ze het gesprek aangaan met patiënten en ziekenhuizen. Ze zal over dit dossier binnenkort een brief sturen aan de Tweede Kamer.

Gevolgen voor andere plannen

Dit besluit van de rechtbank benadrukt nogmaals de noodzaak tot gedegen onderbouwing van besluiten. Zeker in een politiek onrustige periode, waarin nieuwe Kamerleden opstarten en ministers ervoor kiezen vroegtijdig de politiek te verlaten, is het belangrijk dit in het oog te houden. De uitspraak zet mogelijk de deur open voor andere besluiten van de minister die niet voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, bijvoorbeeld door het negeren of onvoldoende gebruiken van wetenschappelijke onderbouwing bij de besluitvorming.